Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Toekomstvenster T5morgenVooruitblikconcept

Voorschrift of doel?

Regels controleren of uitkomsten meten?

Biologisch, biologisch-dynamisch, regeneratief, gangbaar: er zijn veel manieren van boeren. Biologisch werkt vooral met voorschriften: wat mag en wat niet mag. Dat is helder en goed te controleren. Regeneratief is vaag, maar stelt wel een doel: een landbouw die meer in balans is met zijn omgeving. Dezelfde vraag speelt nu in het beleid. Stuur je met regels die je kunt controleren, of met uitkomsten die je moet meten?

Vier stromingen

In 1924 gaf Rudolf Steiner in Koberwitz een cursus voor boeren. Daaruit groeide de biologisch-dynamische landbouw, die de boerderij ziet als een levend geheel. In 1926 begon op Walcheren Loverendale, het eerste biologisch-dynamische bedrijf van Nederland. Kort na de oorlog volgde de Warmonderhof, een school voor deze manier van boeren.

Daaruit groeide de bredere biologische landbouw. Vanaf 1985 kregen biologische producten het EKO-keurmerk. Een stichting controleerde of boeren zich aan de regels hielden; sinds 1992 heet die Skal. In 1991 legde Europa vast wat biologisch is. Later kwam de regeneratieve landbouw op. En ook de gangbare landbouw, op verreweg het meeste land, verandert.

Een model van voorschriften

Biologisch is in de kern een lijst met regels: geen kunstmest, geen chemisch-synthetische bestrijdingsmiddelen, meer ruimte voor dieren. Een controleur kan nagaan of de boer zich eraan houdt. Dat geeft de koper vertrouwen. In Nederland is vier tot vijf procent van de landbouwgrond biologisch.

Biologisch wordt vaak gepresenteerd als dé oplossing, maar ook daar zijn afwegingen. Onkruid wordt vaker mechanisch bestreden, en meer grondbewerking kan bodemleven verstoren. Ook biologische boeren hebben middelen nodig: Europa staat koper toe tegen schimmels, al verbiedt Nederland dat. En veel biologische akkers krijgen mest van gangbare veebedrijven. Voorstanders wijzen op meer leven in bodem en randen, en geen resten van chemische middelen.

De opbrengst per hectare ligt gemiddeld zo'n kwart lager, met grote verschillen per gewas. Daar staan gemiddeld ongeveer 30 procent meer soorten per hectare tegenover. Zo raakt biologisch aan een groter debat: land sparing of land sharing. Produceer je op zo min mogelijk land, zodat elders ruimte voor wilde planten en dieren overblijft? Of combineer je die met landbouw op hetzelfde land? Welke weg meer oplevert, hangt af van het gebied en de soorten. Zie ook Tovenaars of profeten?.

Hoe ver is Europa?

Nederland loopt met biologisch achter op veel andere EU-landen. Gemiddeld was in 2023 bijna elf procent van de Europese landbouwgrond biologisch. Oostenrijk staat bovenaan, met ruim 27 procent. In de Green Deal stelde de Europese Commissie in 2020 het doel dat in 2030 een kwart van de Europese landbouwgrond biologisch is.

De verklaringen lopen uiteen. Oostenrijk heeft veel kleine bergbedrijven met grasland en weinig vee per hectare. Nederland heeft dure grond en een landbouw die op export en hoge opbrengst is ingericht. Sommigen pleiten voor meer steun bij het omschakelen. Anderen zeggen dat biologisch pas groeit als consumenten er meer voor betalen.

Een voorschrift kun je controleren met één bezoek op het erf. Een doel moet je meten, jaar na jaar.Het verschil tussen middelsturing en doelsturing

Regeneratief: een doel zonder definitie

Regeneratief heeft geen wettelijke regels en geen erkend keurmerk. De term werd begin jaren tachtig bekend via het Amerikaanse Rodale Institute. Robert Rodale beschreef het in 1983 als landbouw die de natuurlijke productiekracht van de bodem vergroot. Critici noemen het een modewoord, dat grote voedingsbedrijven graag in hun plannen zetten. Maar het stelt wel een doel: een gezondere bodem, meer biodiversiteit, schoner water. De weg ernaartoe laat het aan de boer. Om te voorkomen dat het een leeg woord wordt, willen anderen dat de resultaten worden gemeten, in de bodem en in het veld.

Ook het beleid zoekt het doel

Het beleid werkte lang met middelvoorschriften: een bepaalde stal, een vaste techniek, een maximum aantal kilo's mest per hectare. Na de PAS-uitspraak van 2019, en met de Kaderrichtlijn Water die in 2027 schoon water eist, groeit de belangstelling voor doelsturing per bedrijf. Zie De PAS-uitspraak en De Kaderrichtlijn Water.

Een argument daarvoor: hoeveel mest in het water belandt, hangt niet alleen af van de kilo's. Ook tijdstip, techniek, mestsoort en gift tellen mee. Droge zandgrond spoelt veel sterker uit dan klei of veen. Gras neemt lang en veel stikstof op; op bouwland, zeker na maïs, blijft vaker iets achter. Een argument ertegen: een vaste norm is voor iedereen gelijk en eenvoudig te controleren, terwijl een doel per bedrijf ruimte geeft voor discussie over metingen.

Sommige doelen zijn ook lastig per bedrijf te vertalen. Schoon water in een beek of genoeg weidevogels hangt af van een heel gebied. Daarom groeit de belangstelling voor gebiedsdoelsturing: doelen per gebied, waarbij boeren en andere ondernemers samen bepalen wie welk deel invult, zolang het gebied als geheel de doelen haalt. Een bestaand voorbeeld is het agrarisch natuurbeheer (ANLb). Sinds 2016 sluit de provincie daarvoor geen contracten meer met losse boeren, maar met ongeveer veertig collectieven, die het beheer in hun gebied verdelen. Een open vraag is wel wie aanspreekbaar is als een gebied zijn doel niet haalt.

Niet alleen stikstof

Vaak is niet stikstof maar de fosfaatnorm de grens die knelt. Fosfaat hoopt zich op in de bodem. Na decennia van zware bemesting zijn vooral zandgronden ermee verzadigd, en die geven nog lang fosfaat af aan sloten en meren, met algenbloei als gevolg. Fosfaat komt bovendien uit erts dat eindig is. De kringloop sluiten is daarom een doel op zich.

In de melkveehouderij wordt al deels op doelen gestuurd. Met BEX laat een boer zijn eigen mestproductie berekenen. Sinds 2016 verplichten zuivelbedrijven de KringloopWijzer. De Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij van FrieslandCampina, Rabobank en WWF werkt met kritische prestatie-indicatoren (KPI's). Voor de akkerbouw werken BO Akkerbouw, Rabobank, WWF en de provincie Groningen sinds 2019 aan een BiodiversiteitsMonitor Akkerbouw. Er lopen proeven, zoals in Flevoland, maar meten kost tijd en geld.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De biologische boer

Voor biologische boeren zijn de regels een belofte aan de koper. Ze weten waar ze aan toe zijn. Sommigen vinden dat het keurmerk te weinig zegt over wat ze extra doen voor bodem en biodiversiteit. Anderen vrezen juist dat 'regeneratief' zonder regels het biologische keurmerk ondergraaft: wie geen controle hoeft te betalen, kan goedkoper een groen verhaal vertellen.

De gangbare boer

Doelsturing geeft ruimte om zelf de weg te kiezen. Een akkerbouwer op klei kan dan andere maatregelen nemen dan een veehouder op zand. Maar veel boeren vrezen nog meer administratie en metingen die ze niet zelf in de hand hebben, zoals het weer of de buren. Ze willen weten waar ze op worden afgerekend, en dat die afspraken niet elke paar jaar veranderen.

De ecoloog

Voor ecologen telt de uitkomst: komen de insecten, weidevogels en het schone water terug? Ze waarschuwen wel dat een goede score op papier nog geen herstel in het veld is. Sommige effecten, zoals fosfaat dat uit een verzadigde bodem lekt, zijn pas na jaren te zien. Ecologen pleiten daarom voor metingen in sloot en beek, niet alleen op het erf.

De overheid

Voorschriften zijn makkelijk te handhaven, maar leveren niet altijd het gewenste resultaat. Doelen sluiten beter aan bij Europese normen voor water en beschermde gebieden. Daarvoor zijn wel betrouwbare metingen per bedrijf nodig, en die zijn er nog niet overal. Ook moet de overheid kiezen wie die metingen doet en betaalt: de boer, de keten of de overheid zelf.

Trivia
Om over te praten

Wat geeft meer vertrouwen: een boer die zich aan vaste regels houdt, of een boer die laat zien wat hij bereikt voor bodem, water en biodiversiteit?

Bronnen