Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 33jaren 1990Een tweede landbouwcrisis?concept

De voorlichting geprivatiseerd

Wie betaalt de kennis?

Na de oorlog kwam de kennis naar de boer via de voorlichter van het rijk. Hij was gratis, en hij bracht vooral één boodschap: moderniseren en groeien. In de jaren negentig zette de overheid de voorlichting op afstand en daarna op de markt. Ook het onderzoek ging steeds meer op projectbasis en op bestelling. Nu de landbouw opnieuw moet veranderen, rijst de vraag: wie levert de onafhankelijke kennis die daarvoor nodig is?

Van landbouwleraar tot voorlichter

De wortels liggen in de landbouwcrisis van de late negentiende eeuw. Een staatscommissie, ingesteld in 1886, adviseerde de overheid te investeren in kennis voor de boer. Er kwamen rijkslandbouwleraren, die door hun provincie trokken, en proefstations. Tussen 1890 en 1920 verschenen door het hele land landbouwwinterscholen, waar boerenzonen in de stille wintermaanden les kregen. Zie De landbouwcrisis en Wageningen en de voorlichting.

De voorlichter op het erf

Na 1945 groeide de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst sterk, tot ruim duizend voorlichters. Zij vormden de middelste poot van wat het OVO-drieluik heette: onderzoek, voorlichting en onderwijs. Wat proefstations en Wageningen ontdekten, bracht de voorlichter naar het erf, de studieclub en de dorpszaal.

Nederland had daarmee een van de dichtste netwerken ter wereld. Rond 1960 was er één voorlichter op elke driehonderd mensen in de landbouw. In de Verenigde Staten was dat één op 425. Wageningen maakte van voorlichting zelfs een vak, met een eigen hoogleraar vanaf 1964.

In achtergebleven streken ging de overheid nog verder. Vanaf 1953 liepen proeven met streekverbetering, en vanaf 1956 een landelijk programma. Tot 1970 liep het in 132 gebieden. Voorlichters hielpen boeren met de bedrijfsvoering, boerinnen met een moderne huishouding, en jongeren met werk buiten de landbouw.

Een boodschap van groei

De voorlichting volgde het beleid van de overheid, en dat stuurde decennialang op productie. Meer kunstmest, meer vee, grotere bedrijven: dat was het advies. Boeren die het opvolgden, deden wat de deskundigen hun aanraadden.

Signalen over de keerzijde, zoals ammoniak en verzuring vanaf de jaren tachtig, kwamen eerst bij onderzoekers en ministeries terecht. Het duurde lang voor die kennis in het advies op het erf doorklonk. De kennis lag bij overheid en instituten, niet bij de boer. Zie Het mestprobleem en zure regen.

Op afstand gezet

Vanaf 1990 werkte de Dienst Landbouwvoorlichting als zelfstandige dienst op afstand van het ministerie. In 1993 werd het de Stichting DLV, en in 1998 een vennootschap. De bijdrage van het rijk werd afgebouwd tot nul. Het ministerie vond dat boeren voortaan zelf verantwoordelijk waren voor hun bedrijfsadvies. In 2005 verkocht de staat zijn laatste aandelen aan het management. DLV viel uiteen in zelfstandige adviesbedrijven.

Dat paste in de tijdgeest. In de jaren tachtig en negentig zette de overheid op veel terreinen diensten op afstand of op de markt, van de PTT tot de energiebedrijven. Het idee was dat concurrentie betere en goedkopere diensten oplevert, en dat wie het advies gebruikt, er ook voor betaalt.

Volgens DLV zou een boer of tuinder liever een 'echte ondernemer' als adviseur hebben.Kamerstuk over de verkoop van DLV, 2005

Een ministerie dat verdween

De terugtrekkende overheid kwam uiteindelijk bij het ministerie zelf uit. Eerst ging de voorlichting de deur uit, daarna verdween ook het departement. Het kabinet-Rutte I wilde minder ministeries. Op 14 oktober 2010 ging Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) op in een nieuw ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie. Vanaf november 2012 heette dat gewoon Economische Zaken. Landbouw was een onderdeel van het economisch beleid geworden, naast energie en bedrijfsleven. Zeven jaar lang had Nederland geen eigen ministerie van Landbouw. Pas in oktober 2017 kwam LNV terug, en sinds 2024 heet het Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Onderzoek op bestelling

Ook het onderzoek veranderde. De rijksinstituten van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek werden verzelfstandigd. In 1997 besloot de minister ze samen te voegen met de Landbouwuniversiteit, en vanaf 1998 werkten ze samen als Wageningen UR. Juridisch bleven het twee delen: Wageningen University en Wageningen Research. Het onderzoek werkt sindsdien op opdracht en per project. Het ministerie is de grootste opdrachtgever, met ruim veertig procent van de omzet. De rest komt van bedrijven, Europa en andere overheden.

Wie levert de kennis nu?

Een boer met een vraag gaat nu naar een adviesbureau, de voerleverancier, de bank of de accountant. Dat advies is vaak goed, maar nooit helemaal los van wie het betaalt. Tegelijk vraagt de overgang naar een andere landbouw juist om kennis die het hele bedrijf overziet. Sinds het begin van de jaren 2020 betaalt de overheid weer mee aan onafhankelijk advies, met vouchers voor boeren die willen verduurzamen.

Boeren leren ook van elkaar. In studiegroepen, praktijknetwerken en op demonstratiebedrijven delen ze ervaringen, vaak met steun van de overheid. Zo komt een deel van de oude studieclub terug, nu in een nieuwe vorm.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Veel boeren misten de vertrouwde voorlichter die alles van het bedrijf wist. Anderen waren blij met de keuze tussen adviseurs, en met advies dat precies op hun bedrijf past. Maar wie weinig verdient, bespaart al snel op advies.

Boeren merken ook dat regels steeds sneller veranderen. Om bij te blijven, hebben ze vaak meerdere adviseurs nodig: voor mest, voor stikstof, voor subsidies en voor de bank.

De adviseur

Voor de adviesbureaus begon een nieuwe markt. Ze moesten leren ondernemen en concurreren met voerbedrijven, banken en accountants. Wie betaald wordt door de boer, zegt hij, staat dichter bij de boer dan een ambtenaar.

Adviseurs zien hun vak breder worden. Naast techniek en economie gaat het nu ook om biodiversiteit, water, klimaat en de vraag hoe een boer zijn bedrijf kan omvormen.

De onderzoeker

Onderzoek op opdracht brengt geld en een korte lijn naar de praktijk. Maar het maakt ook afhankelijk. Onderzoekers vrezen dat vragen zonder opdrachtgever blijven liggen, en dat critici hen zien als de stem van wie betaalt.

Ze zoeken daarom naar nieuwe vormen, zoals onderzoek samen met boeren op hun eigen bedrijf.

De overheid

De overheid wilde marktwerking en minder kosten. Nu zoekt ze weer naar manieren om onafhankelijk advies te steunen, omdat ze de boeren nodig heeft voor haar doelen voor stikstof, water en biodiversiteit.

Ze zoekt ook naar manieren om weer vertrouwen op te bouwen, want zonder vertrouwen komt kennis niet aan op het erf.

Trivia
Om over te praten

Vroeger betaalde de overheid de voorlichter, nu betaalt de boer of een bedrijf. Wie zou de kennis voor de omslag in de landbouw moeten betalen, en wie vertrouw je dan?

Bronnen