Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 211933Crisis en oorlogconcept

De Landbouwcrisiswet

De staat grijpt in

In de jaren dertig stortten de landbouwprijzen opnieuw in. Dit keer koos Nederland niet voor de vrije markt, maar voor ingrijpen. De Landbouwcrisiswet van 1933 gaf de regering de macht om prijzen, productie en handel te regelen. Voor het eerst bemoeide de staat zich tot in de varkensstal met het werk van de boer.

Een nieuwe crisis

Na de beurskrach van 1929 raakte de wereldeconomie in een diepe crisis. Landen sloten hun grenzen voor buitenlandse producten. Voor Nederland, dat veel boter, kaas, eieren en vlees exporteerde, was dat een harde klap. De prijzen zakten zo diep dat veel boeren met verlies werkten.

In de crisis van rond 1880 had de regering de markt grotendeels zijn werk laten doen. Nu was de nood te groot. Eerst kwamen er losse steunwetten, zoals de Tarwewet van 1931 en wetten voor zuivel en varkens. In 1933 werden die samengebracht in één grote wet: de Landbouwcrisiswet.

Brede bevoegdheden

De wet gaf de regering bijna onbeperkte macht om in te grijpen in productie, prijzen, invoer en uitvoer van landbouwproducten. Het geld kwam uit een Landbouwcrisisfonds. Dat werd gevuld met heffingen, onder meer op ingevoerde producten. Met dat geld kregen boeren steun en een betere prijs.

Voor de uitvoering kwamen er zogeheten crisisorganisaties, per sector: bijvoorbeeld voor zuivel, akkerbouw en vee. Daarin werkten boeren, handel en industrie samen onder toezicht van de overheid.

Varkens kregen een merk in het oor. Een varken zonder merk was een varken te veel.Productiebeperking in de jaren dertig

Kaarten, merken en controleurs

Steun had een prijs: regels. Om de overschotten te beperken, mocht een boer bijvoorbeeld maar een bepaald aantal varkens houden. Varkens kregen een merk in het oor. Wie meer dieren hield, overtrad de wet. Ook voor andere producten golden teeltbeperkingen en verplichte registratie.

Er kwamen crisiscontroleurs die op de boerderij kwamen kijken. Veel boeren voelden dat als een inbreuk op hun vrijheid. Anderen waren blij met de zekerheid. Een deel van de overschotten ging als goedkope boter en vlees naar werklozen en arme gezinnen.

Een blijvend apparaat

De crisis ging voorbij, maar het apparaat bleef. Toen de oorlog uitbrak, kon de overheid de opgebouwde kennis en administratie gebruiken voor de distributie van voedsel. Na de oorlog leefde het idee van een geordende landbouw voort in de bedrijfsorganisatie, met het Landbouwschap.

Ook in Europa kwam het idee terug: gegarandeerde prijzen, heffingen aan de grens en het opkopen van overschotten. De Landbouwcrisiswet was zo een voorloper van het Europese landbouwbeleid.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Steun hielp veel boeren de crisis door. Maar ze moesten formulieren invullen, dieren laten merken en controleurs toelaten. Voor wie gewend was zelf te beslissen, voelde dat als bemoeizucht.

De overheid

De regering zag geen andere uitweg. Zonder steun dreigden veel boerenbedrijven failliet te gaan. Door in te grijpen hoopte ze het platteland overeind te houden. Dat kostte veel geld en leverde een groot apparaat op.

De handel

Handelaren, zuivelfabrieken en slachterijen werkten mee in de crisisorganisaties. Dat gaf hen invloed, maar ook nieuwe regels. Wie gewend was vrij te handelen, moest nu rekening houden met heffingen en vergunningen.

De stedeling

In de steden zaten veel mensen zonder werk. Voor hen leverde de wet soms goedkopere boter en vlees op. Tegelijk betaalden consumenten mee via heffingen en hogere prijzen.

Om over te praten

In de jaren dertig ruilden boeren een deel van hun vrijheid in voor zekerheid. Hoeveel regels mag de overheid stellen als ze boeren ook steunt?

Bronnen