Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 9ca. 1500 – 1850Gouden Eeuwconcept

Plaggen en potstal

De heide als mestfabriek

Op de arme zandgronden van Drenthe, Overijssel, Gelderland en Brabant konden boeren eeuwenlang alleen graan telen door de heide te gebruiken. Ze staken heideplaggen, mengden die in de stal met mest en brachten dat op de akker. Zo hielden ze de grond vruchtbaar, maar het kostte veel heide en veel werk. Het systeem vormde een landschap dat nog altijd herkenbaar is.

Arme grond

Zandgrond houdt weinig voedingsstoffen vast. Wie er jaar na jaar rogge op verbouwt, put de bodem snel uit. Kunstmest bestond nog niet. Boeren op het zand moesten dus een andere manier vinden om hun akkers vruchtbaar te houden.

Die vonden ze in de heide. Rond de dorpen lagen grote heidevelden, die door de buren samen werden gebruikt. In het oosten van het land werden die gemeenschappelijke gronden beheerd door de marke, een vereniging van boeren met rechten op de grond.

Van heide naar akker

Schapen graasden overdag op de heide en kwamen 's avonds naar de stal. Boeren staken met een plaggenschop dunne zoden van de heide: de plaggen. Die strooiden ze in de stal, die vaak verdiept was. Zo'n stal heette een potstal. Daar werden de plaggen vermengd met mest en urine van schapen en koeien.

Na een tijd werd de potstal uitgemest. Het mengsel van plaggen en mest ging op de akker. Met de mest kwam ook zand en humus mee. Daardoor werden de akkers in de loop van eeuwen steeds hoger. Zo ontstonden de essen of engen: bolle akkers met een dikke donkere bovenlaag, op sommige plekken een meter of meer.

De heide die nu als natuur geldt, bestaat juist dankzij eeuwen boerengebruik. Zonder schapen en plaggen was het grotendeels bos geweest.Een cultuurlandschap dat natuur werd

Veel heide voor weinig akker

Het systeem vroeg veel ruimte. Voor één hectare akker was naar schatting een veelvoud aan heide nodig. De heide werd daardoor zwaar belast. Waar te veel plaggen werden gestoken of te veel schapen graasden, raakte de bodem kaal. Op sommige plaatsen ging het zand stuiven en ontstonden zandverstuivingen die akkers en dorpen bedreigden.

De marken stelden daarom regels op: wie mocht plaggen steken, hoeveel schapen mocht een boer houden? Het gebruik van de gemeenschappelijke grond was een voortdurend punt van overleg en ruzie.

Het einde van een systeem

In de negentiende eeuw veranderde alles. De marken werden verdeeld, en de heide kwam in handen van particulieren en gemeenten. Rond 1900 kwam kunstmest in gebruik. Boeren hadden de heide niet meer nodig voor mest. Grote delen werden ontgonnen tot akker en weiland of beplant met bos. De schaapskuddes verdwenen grotendeels.

De heide die overbleef, is nu vooral natuur. Ze moet worden beheerd, met maaien, plaggen en begrazing, want anders groeit ze dicht met gras en bos.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor de boer op het zand was het plaggen zwaar, eindeloos werk, maar het was de enige manier om brood op tafel te krijgen. Een goede es was de kostbaarste grond van het dorp.

De heide

Het landschap werd door het systeem gevormd. De heide bleef open door begrazing en plaggen. Waar de druk te groot werd, ontstond kaal stuifzand. Planten en dieren van arme, open grond vonden hier juist hun plek.

De marke

De marke beheerde de gemeenschappelijke grond. Ze moest voorkomen dat iedereen te veel nam. Dat vroeg om regels, toezicht en boetes. Het is een vroeg voorbeeld van gezamenlijk beheer van schaarse natuurlijke bronnen.

De wandelaar van nu

Wie nu over de heide wandelt, ziet een natuurgebied. Weinig mensen weten dat dit landschap door boeren is gemaakt. Het beheer ervan kost nu geld, en dat betaalt de samenleving.

Om over te praten

De heide was eeuwenlang een werkplaats voor de boer en is nu een beschermd natuurgebied. Wie bepaalt wat een landschap mag zijn?

Bronnen