De eiwittransitie
Nederland werd groot met vee. Melk, kaas, vlees en eieren zijn al eeuwen een kern van de Nederlandse landbouw en van ons eten. Nu wil de overheid dat we meer eiwit uit planten halen en minder uit dieren, voor het klimaat, de biodiversiteit en de gezondheid. Wat betekent zo'n eiwittransitie voor een land van koeien en varkens? En wie beslist: de boer, de overheid of de consument aan tafel?
- De schaal met vlees, kaas en melk: rond 60 procent van ons eiwit komt van dieren.
- De schaal met bonen, erwten en linzen: het doel is half om half in 2030.
- Het veld met bloeiende veldbonen: eiwitgewassen van eigen bodem.
- De koe in de wei: zet gras om in voedsel dat mensen kunnen eten.
- De glazen kolf: nieuwe eiwitten uit fermentatie en kweekvlees.
Een land van dierlijk eiwit
Sinds de Kaas- en botermarkten van de zeventiende eeuw leeft Nederland van zuivel. Na de oorlog groeide de veehouderij snel, mede dankzij goedkope soja en ander veevoer dat via de haven van Rotterdam binnenkwam. Zie Het gat van Rotterdam. Nederland werd een van de grootste exporteurs van zuivel en vlees ter wereld.
Ook op ons bord domineert dierlijk eiwit. Volgens de overheid kwam rond 2023 ongeveer 60 procent van het eiwit dat Nederlanders eten van dieren, en 40 procent van planten. Dat was niet altijd zo. Erwten, bonen en kapucijners waren eeuwenlang gewoon boerenvoedsel, op het land en in de soep.
Het doel: half om half
In december 2020 presenteerde het kabinet de Nationale Eiwitstrategie. Het doel: in vijf tot tien jaar meer eiwit in Nederland en Europa zelf produceren, vooral uit planten en uit reststromen, en minder afhankelijk zijn van geïmporteerde soja. Daarna kwam er een tweede doel bij: in 2030 moet de gemiddelde Nederlander half dierlijk en half plantaardig eiwit eten. Dat sluit aan bij het advies van het Voedingscentrum. De cijfers veranderen echter nauwelijks, en de overheid schreef zelf al dat het doel waarschijnlijk niet wordt gehaald.
Bonen van eigen land
Eiwitgewassen telen in Nederland kan: veldbonen, erwten, lupine, luzerne en zelfs soja. Het zijn vlinderbloemigen. Met bacteriën in knolletjes aan hun wortels halen ze stikstof uit de lucht, en ze hebben dus weinig kunstmest nodig. In een vruchtwisseling laten ze stikstof achter voor het volgende gewas. Toch is het areaal klein: rond 2024 maar ongeveer 1 procent van de akkerbouw.
Daar zijn redenen voor. Ongeveer 80 procent van alle soja ter wereld komt uit Brazilië, Argentinië en de Verenigde Staten, minder dan 1 procent uit de EU. Een Nederlandse akker levert volgens Wageningse onderzoekers 2,5 tot 3 ton soja per hectare op, op dure grond. In Brazilië is dat ongeveer een ton meer. Ook veldbonen en erwten brengen per hectare vaak minder op dan aardappelen of uien. Een Green Deal met bedrijven uit de hele keten moest de teelt tussen 2022 en 2025 op gang helpen.
Nieuwe eiwitten
Daarnaast zoeken bedrijven naar eiwit uit fermentatie met schimmels en gisten. Dat is niet helemaal nieuw: de Britse vleesvervanger Quorn, gemaakt van een bodemschimmel, ligt al sinds 1985 in de winkel. In 2010 opende in Den Haag De Vegetarische Slager, opgericht door akkerbouwer Jaap Korteweg en Niko Koffeman. Unilever kocht het bedrijf eind 2018. In 2025 ging het naar de Braziliaanse vleesgigant JBS.
Ook insecten zijn een eiwitbron. Sinds juni 2021 mag de gedroogde larve van de meelworm in de EU als voedsel worden verkocht. En er is kweekvlees. In 2013 presenteerde de Maastrichtse onderzoeker Mark Post de eerste gekweekte hamburger. In april 2024 mocht er in Nederland voor het eerst kweekvlees worden geproefd, als eerste land in de EU, dankzij een nieuwe gedragscode. Verkopen mag in de EU nog niet.
Botsende visies
Voorstanders van de eiwittransitie wijzen op gezondheid, klimaat en ruimte: voor plantaardig eiwit is minder land nodig dan voor vlees. Minder dieren betekent ook minder mest, en dus minder stikstof en fosfaat die in bodem en water terecht kunnen komen. Hoeveel dat scheelt, hangt wel af van bodem, gewas en hoe de mest wordt gebruikt. Anderen wijzen erop dat koeien gras, dat mensen niet kunnen eten, omzetten in melk en vlees. Grasland houdt bovendien veel stikstof vast en is op natte of zware grond vaak de beste manier om het land te gebruiken. Ook varkens en kippen eten reststromen uit de voedingsindustrie. Dierlijk eiwit is bovendien rijk aan voedingsstoffen.
De echte hoofdrolspeler is de consument. Die bepaalt wat er in het winkelmandje komt, en let op smaak, gewoonte en prijs. Zie ook Tovenaars of profeten?.
- Minder dierlijk eiwit eten raakt de veehouderij, de grootste sector van de Nederlandse landbouw, en de export. Zie Einde melkquotum, begin fosfaatrechten en Het mestprobleem en zure regen.
- Meer eiwitgewassen telen past in een bredere vruchtwisseling en vraagt minder kunstmest. Zie Van controle naar veerkracht.
- Of Nederland eiwit moet telen voor zichzelf of voor de wereld, is een vraag in Wereldmarkt of zelfvoorziening?.
- Een kleinere veestapel verandert ook het landschap: weidevogelgebieden en kruidenrijk grasland bestaan juist dankzij beweiden en maaien. Zie Natuur is mensenwerk.
- Zie ook Het gat van Rotterdam en Tovenaars of profeten?.
Vier perspectieven
De veehouder
Veehouders zien hun vak soms als probleem neergezet. Zij wijzen erop dat hun koeien gras en reststromen omzetten in hoogwaardig voedsel, en dat Nederland daar wereldwijd goed in is. Ze zijn decennialang aangemoedigd om te groeien en te specialiseren. Minder dieren betekent voor hen minder inkomen, of zelfs stoppen. En wie stopt, laat vaak een stal achter waar nog jaren schuld op rust.
De akkerbouwer
Voor akkerbouwers kunnen eiwitgewassen een kans zijn: goed voor de bodem en de vruchtwisseling, en minder kunstmest nodig. Maar zolang soja uit het buitenland goedkoper is en afnemers weinig betalen, levert een veld veldbonen minder op dan een veld aardappelen. Er is ook weinig kennis en weinig verwerking in de buurt. Wie bonen teelt, moet weten waar hij ze kwijt kan. Zonder vaste afnemer blijft een nieuw gewas een experiment.
De consument
De consument heeft het laatste woord. Veel mensen willen best minder vlees eten, maar gewoonte, smaak en prijs wegen zwaar. Vleesvervangers zijn soms duurder dan vlees. Anderen eten juist bewust vlees en zuivel van dichtbij, van een boer die ze kennen. En niet iedereen vindt dat de overheid zich met ons bord moet bemoeien.
De wetenschap
Onderzoekers zijn het niet eens over de beste weg. Sommigen rekenen voor dat minder dierlijk eiwit veel uitstoot en ruimte bespaart. Anderen benadrukken dat dieren die gras en reststromen eten, een efficiënte schakel kunnen zijn in een kringloop, en dat hun mest de bodem voedt. Het verschil zit vaak in de aannames: welk dier, welk voer, welke grond. De Gezondheidsraad adviseerde in 2023 om na 2030 nog verder te gaan, naar ongeveer 60 procent plantaardig.
- De kapucijner dankt zijn naam aan de kapucijnen, een kloosterorde. De kleur van de erwt deed denken aan hun pij.
- Singapore was in december 2020 het eerste land ter wereld dat de verkoop van kweekvlees toestond: stukjes gekweekte kip.
- De eerste kweekvleesproeverij in Nederland, in april 2024, ging niet om een burger maar om een gekweekte varkensworst.
- De schimmel waarvan Quorn wordt gemaakt, werd in 1967 gevonden in een bodemmonster.
Moet de overheid ons helpen minder vlees en zuivel te eten, of is dat iets wat ieder voor zich bepaalt? En wat betekent jouw keuze voor de boer?
- Ministerie van LNV, Nationale Eiwitstrategie (22 december 2020).
- Ministerie van LNV, Kamerbrieven over de eiwittransitie en de stand van de eiwitconsumptie (2024 en 2025).
- Gezondheidsraad, advies over een gezonde en duurzame eiwitconsumptie (2023).
- Rabobank, De toekomst van eiwit en vlinderbloemige gewassen in Nederland.
- Wageningen University & Research, notitie over alternatieven voor sojaimport van buiten de EU (januari 2025) en onderzoek naar Nederlandse sojateelt.
- CBS, cijfers over het areaal eiwitgewassen.
- Uitvoeringsverordening (EU) 2021/882 (gedroogde meelwormlarve als nieuw voedingsmiddel).
- NOS, verslag van de eerste kweekvleesproeverij in Nederland (april 2024).