Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 18ca. 1890Vernieuwingconcept

Coöperaties en boerenleenbanken

Samen staan we sterk

Aan het eind van de negentiende eeuw ontdekten boeren dat ze samen meer konden dan alleen. Ze richtten coöperaties op: om melk te verwerken, om kunstmest en veevoer in te kopen, om hun producten te verkopen en om geld te lenen. Uit die beweging groeiden enkele van de grootste bedrijven van Nederland, die nog altijd van boeren zijn.

Alleen sta je zwak

Een kleine boer stond tegenover machtige partijen. Handelaars bepaalden de prijs van zijn boter en zijn graan. Leveranciers van kunstmest en veevoer leverden soms slechte waar. En wie geld nodig had voor een koe of een stuk land, was vaak aangewezen op woekeraars. De De landbouwcrisis maakte die zwakke positie pijnlijk duidelijk.

Melk naar de fabriek

Rond 1880 kwam de roomafscheider op, een machine die room snel en schoon van de melk scheidt. Daarmee kon boter in een fabriek worden gemaakt, beter en gelijkmatiger dan op de boerderij. Een fabriek was te duur voor één boer, maar niet voor een groep.

In 1886 begonnen boeren in het Groningse Warffum een van de eerste coöperatieve zuivelfabrieken van het land. Het idee verspreidde zich snel. Rond 1900 stonden er honderden, vooral in Friesland, Groningen en op de zandgronden. De leden leverden melk, deelden in de winst en hadden ieder een stem.

De Rabobank begon als een netwerk van honderden kleine dorpsbanken, opgericht door boeren die elkaar geld leenden.Van spaarpot in het dorp tot grootbank

Een eigen bank

Ook geld werd samen geregeld. Naar Duits voorbeeld, van Friedrich Wilhelm Raiffeisen, richtten boeren vanaf 1896 boerenleenbanken op. Leden zetten hun spaargeld in en leenden aan elkaar. Het bestuur bestond uit dorpsgenoten die wisten wie te vertrouwen was.

De plaatselijke banken sloten zich in 1898 aan bij twee centrale banken, een in Utrecht en een in Eindhoven. Die scheiding volgde deels de lijnen van geloof, net als de boerenbonden van die tijd. In 1972 gingen ze samen op in de Rabobank.

Kopen en verkopen

Er kwamen ook aankoopverenigingen voor kunstmest, zaad en veevoer, die de kwaliteit lieten controleren. Tuinders richtten veilingen op, waar kopers tegen elkaar opboden met een veilingklok. Zo kregen telers meer grip op de prijs.

De coöperaties hielpen boeren uit de crisis en maakten de Nederlandse landbouw beter georganiseerd dan in veel andere landen. In de twintigste eeuw fuseerden ze tot steeds grotere bedrijven. FrieslandCampina, Royal Cosun, Agrifirm en Royal FloraHolland zijn er voorbeelden van.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor de boer bracht de coöperatie zekerheid: een vaste afzet, een eerlijker prijs en geld om te investeren. Maar wie lid werd, moest zich ook aan de regels houden en kon niet zomaar ergens anders leveren.

De handelaar

Voor particuliere handelaars en fabrikanten waren de coöperaties lastige concurrenten. Sommigen verloren hun bedrijf. Anderen pasten zich aan of werkten juist samen met de boeren.

De dorpsgemeenschap

De coöperatie was meer dan een bedrijf. Ze hoorde bij het dorp, vaak naast de kerk en de boerenbond. Wie in het bestuur zat, had aanzien. Zo bond de coöperatie mensen aan elkaar.

De consument

Voor de koper betekende de fabriek betere en betrouwbaardere boter en kaas. Nu staan coöperatieve merken in elk schap, vaak zonder dat de klant weet dat er boeren achter zitten.

Om over te praten

Coöperaties zijn van de boeren, maar zijn nu wereldwijde bedrijven. Hebben de leden er nog echt iets over te zeggen?

Bronnen