Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 341997 – 2010Een tweede landbouwcrisis?concept

Dierziekten: van ruimen tot zoönose

Van ruimen voor de export naar ziek van de buren

Tussen 1997 en 2010 werd de Nederlandse veehouderij steeds opnieuw getroffen door dierziekten: varkenspest, BSE, mond-en-klauwzeer, vogelgriep en Q-koorts. Eerst ging het vooral om dieren en geld. Miljoenen dieren werden gedood, de meeste niet omdat ze ziek waren, maar om de ziekte en de export te stoppen. Met vogelgriep en vooral Q-koorts werden ook mensen ziek. Zo werd de veehouderij een kwestie van volksgezondheid.

Varkenspest in Brabant

Op 4 februari 1997 werd in het Brabantse Venhorst klassieke varkenspest gevonden. Die virusziekte treft alleen varkens. In Oost-Brabant en delen van Limburg en Gelderland stonden de bedrijven dicht op elkaar, en het virus ging makkelijk van stal naar stal.

De overheid koos voor ruimen. Tot eind maart 1998 werden 429 bedrijven besmet verklaard, en hele gebieden gingen op slot. Op de besmette bedrijven werden zo'n 700.000 varkens gedood, op bedrijven eromheen nog eens 1,1 miljoen. Omdat varkens niet meer vervoerd mochten worden, raakten stallen overvol. Ook daar werden dieren gedood, om dierenleed te voorkomen. Dat was verreweg de grootste groep. In ruim een jaar stierven zo'n elf à twaalf miljoen varkens, de meeste gezond.

De schade liep in de miljarden. De ramp liet zien hoe kwetsbaar een gebied is waar veel dieren dicht op elkaar staan en veel vrachtwagens rijden. Zie Het mestprobleem en zure regen voor hoe de varkens juist daar terechtkwamen.

BSE en mond-en-klauwzeer

BSE, de gekkekoeienziekte, is een hersenziekte bij runderen die zich verspreidde via diermeel in het voer. In Groot-Brittannië bleek dat mensen via besmet vlees een variant van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob konden krijgen. In 1997 werd het eerste Nederlandse geval gevonden. Per 2001 verbood de EU diermeel in veevoer, en de verkoop van rundvlees zakte tijdelijk in.

In maart 2001 dook mond-en-klauwzeer op in Oene. Voor mensen is dat virus niet gevaarlijk, maar alleen landen zonder de ziekte konden vrij exporteren. Tot 1991 werd het vee in Nederland verplicht ingeënt tegen mond-en-klauwzeer. Daarna verbood de EU dat, vooral om handelsredenen: een land dat inent, telt niet als vrij van de ziekte.

Er waren 26 besmette bedrijven. Toch werden op zo'n 2600 bedrijven in totaal ruim 270.000 koeien, schapen, geiten en varkens gedood. Veel gezonde dieren werden eerst ingeënt om de verspreiding te remmen, en daarna toch geruimd. In Kootwijkerbroek verzette een heel dorp zich. Pas in 2020 oordeelde de hoogste rechter in deze zaak dat het ruimen van zo'n 60.000 dieren op 246 boerderijen daar rechtmatig was.

Je hoefde geen geit te hebben gezien om ziek te worden. Wonen in de buurt van een besmette stal was genoeg.Q-koorts, 2007–2010

Vogelgriep: ook mensen ziek

In 2003 brak vogelgriep uit, vooral in de Gelderse Vallei. Ruim dertig miljoen kippen, kalkoenen en eenden werden gedood. Bij 89 mensen die bij de bestrijding betrokken waren, werd het virus aangetoond, de meesten met een oogontsteking. Het RIVM schatte later dat minstens duizend mensen besmet raakten. Een dierenarts uit Rosmalen overleed. Voor het eerst was een veeziekte ook direct gevaarlijk voor mensen.

Q-koorts

In 2007 zagen huisartsen rond Herpen in Noordoost-Brabant opvallend veel longontstekingen. Het bleek Q-koorts: een bacterie die bij het aflammeren van geiten vrijkomt en met stof kilometers ver kan waaien. Het aantal melkgeiten was sterk gegroeid, vaak in stallen vlak bij dorpen. Tot en met 2010 werden ruim vierduizend zieken gemeld. Tientallen mensen overleden, en velen houden langdurige klachten.

Het was de grootste uitbraak van Q-koorts die ooit wereldwijd is beschreven. Het RIVM schat dat uiteindelijk zo'n 100.000 mensen besmet zijn geraakt, de meesten zonder het te merken. Officieel overleden er ten minste 25. Stichting Q-support kwam in 2016 uit op 74.

De overheid greep pas eind 2009 hard in. Op meer dan negentig bedrijven werden de drachtige geiten en schapen gedood, en vaccinatie werd verplicht. Daarna daalde het aantal patiënten snel. Achteraf werd gevraagd of de volksgezondheid niet eerder zwaarder had moeten wegen dan het belang van de geitenhouderij.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor veel boeren was het ruimen van hun gezonde dieren een traumatische ervaring. Ze hadden jaren gewerkt aan hun stal en hun fokdieren. Een schadevergoeding nam het verdriet niet weg. Geitenhouders die volgens de regels hadden gewerkt, voelden zich na Q-koorts soms als schuldige aangewezen, terwijl sommigen zelf ook ziek werden.

Veel boeren hadden hun bedrijf ingericht zoals overheid en voorlichting adviseerden: groot, gespecialiseerd en gericht op de export. Dat juist die opzet kwetsbaar bleek voor besmettelijke ziekten, kwam voor hen als een schok. Sommige gezinnen stopten na een ruiming helemaal.

De overheid

De overheid moest snel handelen tegen ziekten die zich razendsnel verspreiden, en tegelijk de exportmarkten openhouden. Europese regels lieten weinig ruimte voor inenten. Bij Q-koorts was er weinig kennis, en moesten twee ministeries, gemeenten en GGD's samenwerken op onbekend terrein. Achteraf bleek de besluitvorming te traag.

Na elke crisis volgden evaluaties en nieuwe draaiboeken. De overheid legde meer nadruk op hygiëne, vervoersregels en snel opsporen. Toch blijft het een afweging tussen dierziektebestrijding, handel en volksgezondheid.

De omwonende

Voor mensen op het platteland werd de stal naast het dorp ineens een mogelijk gevaar. Wie ziek werd, wist vaak lang niet waardoor. Q-koorts voedde zorgen over gezondheid rond veehouderijen, ook bij nieuwe plannen voor stallen.

Veel Q-koortspatiënten houden jaren later nog last van vermoeidheid. Zij voelden zich lang niet gehoord. Hun ervaring speelt mee wanneer gemeenten nu over nieuwe stallen beslissen.

Het dier

Miljoenen varkens, koeien, schapen, geiten en kippen werden gedood, de meeste zonder ziek te zijn. Ook vervoersverboden zorgden voor dierenleed in overvolle stallen. De crises gaven het debat over dierenwelzijn en het aantal dieren een nieuwe impuls.

Dierenartsen en dierenbeschermers vroegen of inenten niet vaker kon in plaats van doden. Het ruimen van gezonde dieren raakte ook mensen die niet met de veehouderij te maken hadden.

Trivia
Om over te praten

Mag je gezonde dieren doden om een ziekte en de export te beschermen? En hoe dicht mogen grote stallen en woonwijken bij elkaar liggen?

Bronnen