Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 221939 – 1952Crisis en oorlogconcept

Oorlog en wederopbouw

Van schaarste naar productie

Toen in 1939 de oorlog uitbrak, lag er in Nederland al een plan klaar voor de voedselvoorziening. Er kwam distributie met bonkaarten, en de landbouw schakelde om: minder varkens en kippen, meer aardappelen en graan. Na het dieptepunt van de Hongerwinter hielp de Amerikaanse Marshallhulp de landbouw weer op gang, met kunstmest, machines en nieuwe kennis.

Voorbereid op schaarste

Al in de Eerste Wereldoorlog waren er tekorten en distributie. In april 1937 richtte minister Steenberghe van Economische Zaken een rijksbureau op om de voedselvoorziening in oorlogstijd voor te bereiden. De leiding lag bij landbouwingenieur S.L. Louwes. In 1939 kreeg het de naam Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Oorlogstijd.

Het bureau hoefde niet bij nul te beginnen. Het kon steunen op de crisisorganisaties uit de jaren dertig, die al registreerden hoeveel dieren en hectares elke boer had (zie De Landbouwcrisiswet). Er kwamen voorraden graan, vet en veevoer. Eind augustus 1939 werden de eerste bonkaarten uitgedeeld. Na de Duitse inval in mei 1940 ging vrijwel al het voedsel op de bon. Tot de herfst van 1944 lagen de officiële rantsoenen maar iets onder het Duitse niveau.

Minder dieren, meer akkerbouw

Voor de oorlog voerde Nederland grote hoeveelheden graan, maïs en oliekoeken in. Daarmee voerden boeren hun varkens en kippen, voor een groot deel voor de export. Met de oorlog viel die invoer weg.

Een varken of kip eet graan en aardappelen die ook een mens kan eten, en zet maar een klein deel daarvan om in vlees of eieren. Van een hectare gewassen kunnen dus meer mensen leven als ze die gewassen zelf eten.

Boeren moesten een deel van hun grasland scheuren: omploegen tot akker. De teelt van aardappelen groeide van zo'n 130.000 hectare voor de oorlog naar 210.000 hectare in 1943. Rogge ging van 110.000 naar ongeveer 300.000 hectare, koolzaad voor olie van 3.000 naar zo'n 50.000 hectare. De varkens- en kippenstapel werd juist sterk ingekrompen. In 1945 waren er ruim 70 procent minder varkens en ruim 90 procent minder kippen dan voor de oorlog. Het rundvee kromp met ruim een kwart.

Kunstmest kwam er bijna niet meer binnen, dus de opbrengst per hectare daalde. Boeren moesten hun oogst tegen vaste prijzen leveren. Een deel ging naar de zwarte markt, die van 1942 tot 1948 naar schatting een vijfde van de productie opslokte.

De Hongerwinter

Het dieptepunt kwam in de winter van 1944–1945. Na de mislukte slag om Arnhem bleef het westen bezet. De regering in Londen riep op tot een spoorwegstaking. Als straf blokkeerde de bezetter van eind september tot 8 november 1944 het vervoer van voedsel naar het westen. Daarna hielden gebrek aan brandstof en vervoer en de vorst de aanvoer laag. In het noorden en oosten was wel voedsel, maar het kwam niet aan. Het rantsoen in de westelijke steden zakte tot onder de 1000 calorieën per dag, in april 1945 tot ongeveer 400. Naar schatting twintigduizend mensen stierven aan honger en kou.

Tienduizenden stedelingen trokken op hongertochten naar boeren, om linnengoed en sieraden te ruilen voor eten. In het voorjaar werd Zweeds wittebrood uitgedeeld. Van 29 april tot 8 mei 1945 wierpen Britse en Amerikaanse vliegtuigen voedsel af, bij de operaties Manna en Chowhound.

Met genoeg kunstmest en een ideaal teeltplan kon de Nederlandse bodem in oorlogstijd gemiddeld zo'n 2000 calorieën per persoon per dag leveren. Meer zat er niet in.Berekening van het ministerie van Landbouw, 1946

Marshallhulp

Na de bevrijding stonden onder meer Walcheren en de Wieringermeer onder water. In juni 1945 werd Sicco Mansholt minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening. Zijn eerste taak was de voedselvoorziening weer op gang te brengen.

In 1948 begon het Amerikaanse hulpprogramma voor Europa, genoemd naar minister George Marshall. Tussen 1948 en 1953 kreeg Nederland ruim 1,1 miljard dollar, voor het grootste deel als gift. Een deel ging naar veevoer, kunstmest en landbouwmachines. Over de opmars van de trekker gaat De trekker en de boerenexodus.

Even belangrijk was de kennis. Vanaf 1950 regelde de Contactgroep Opvoering Productiviteit, betaald uit Marshallgeld, studiereizen naar de Verenigde Staten. Ook boeren en voorlichters gingen mee en schreven verslagen over Amerikaanse veeteelt en boerderijbouw. Onderzoek en voorlichting, met Wageningen en de voorlichting als centrum, richtten zich op meer opbrengst per hectare, per dier en per arbeider.

Een nieuwe vanzelfsprekendheid

In 1952 verdwenen de laatste bonnen. De jaren van schaarste lieten sporen na. Voor veel beleidsmakers leek meer productie daarna vanzelfsprekend. Toch is het te simpel om het hele naoorlogse beleid uit de honger te verklaren. Mansholt zelf wilde vooral dat de boeren en landarbeiders van het Groningse platteland mee konden in de vaart der volkeren (zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid).

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Boeren kregen opdrachten: grasland scheuren, dieren wegdoen, oogst leveren tegen vaste prijzen. Wie zijn varkens en kippen moest opgeven, verloor een deel van zijn inkomen en zijn werk van jaren. Tegelijk had de boer wat de stad miste: eten. In de Hongerwinter stonden dagelijks hongerige mensen aan de deur. Veel boeren hielpen, anderen vroegen hoge prijzen. De herinneringen verschillen per streek en per familie.

De stedeling

Voor de stedeling draaide alles om de bonkaart. Wat je kreeg, hing af van de rantsoenen en van wat er in de winkel lag. In het westen werd dat in de laatste oorlogswinter levensgevaarlijk weinig. Wie iets te ruilen had, trok naar het platteland. Wie niets had, was aangewezen op de centrale keuken.

De overheid

Louwes en zijn rijksbureau maakten een plan voor een land zonder invoer: meer gewassen voor mensen, minder voer voor dieren. Daarvoor moest de overheid tot op het erf meekijken. Het rijksbureau werkte onder de bezetter, en dat bleef na de oorlog een punt van discussie. Toch lukte het tot de herfst van 1944 om ernstige honger te voorkomen.

De Amerikaan

Voor de Verenigde Staten was Marshallhulp ook politiek. Een welvarend West-Europa zou minder vatbaar zijn voor het communisme. Amerikaanse boerderijen lieten bezoekers zien hoe met trekkers en kunstmest veel geproduceerd kon worden. Of dat model paste bij de kleine Nederlandse gemengde bedrijven, was een open vraag.

Trivia
Om over te praten

In de oorlog stuurde de overheid de landbouw om: minder dieren, meer gewassen voor mensen. Wanneer mag een overheid zo diep ingrijpen in wat boeren telen?

Bronnen