Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 7ca. 1350 – 1500Ontginning en stadconcept

Van akker naar wei

Toen het graan verzoop

Het ontgonnen veen in Holland en Utrecht zakte door het droogleggen steeds verder. Rond 1350 tot 1500 werd het land te nat voor graan. Boeren gingen over op koeien, boter en kaas, en het graan kwam voortaan per schip uit het Oostzeegebied. Daarmee ontstond het groene weidelandschap dat nu als typisch Hollands geldt.

Het land zakt weg

De middeleeuwse ontginners hadden het veen drooggelegd met sloten. Maar droog veen klinkt in en verteert. Binnen een paar eeuwen zakte het land soms meters. Het lag steeds lager ten opzichte van de rivieren en de zee.

Water liep niet meer vanzelf weg. De akkers werden natter, en graan groeide er slecht. Stormvloeden, zoals de Sint-Elisabethsvloed van 1421, lieten zien hoe kwetsbaar het lage land was geworden.

Van graan naar gras

Boeren pasten zich aan. Gras groeit ook op natte grond, en koeien eten gras. Daarom schakelden ze op veel plekken om van akkerbouw naar veeteelt. Van de melk maakten ze boter en kaas, die beter te bewaren en te vervoeren waren dan verse melk.

Het graan dat ze zelf niet meer konden telen, kwam uit Polen en de Baltische landen. Hollandse schepen haalden het via de Oostzee. Zo raakte het platteland verbonden met een handel over grote afstand.

Het weidelandschap met koeien, sloten en molens dat nu als typisch Hollands geldt, is ontstaan doordat het land te nat werd voor graan.Een landschap als antwoord op een probleem

Molens en polders

Om het water kwijt te raken, bouwden boeren dijken en sluizen. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw verschenen de eerste windmolens die water uit de polders maalden. Een polder werd een eiland met een eigen waterpeil, dat de mens kunstmatig regelde. Daarvoor was samenwerking nodig in de waterschappen.

Maar elke keer dat het water werd weggemalen, zakte het veen weer verder. Bemaling loste het probleem op korte termijn op, en maakte het op lange termijn groter.

Boeren voor de stad

Tegelijk groeiden de Hollandse steden snel. Leiden, Haarlem, Delft, Gouda en Amsterdam hadden behoefte aan boter, kaas, vlees en turf. Boeren gingen voor die markt produceren. Velen hadden er werk naast, bijvoorbeeld in de visserij, de turfwinning, het vervoer of de textiel.

Zo ontstond een platteland dat sterk op de markt was gericht. Historici zien hierin een van de wortels van de bloei van Holland in de zestiende en zeventiende eeuw.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor de boer was de overstap naar vee een slimme aanpassing. Boter en kaas brachten in de stad goed geld op. Maar hij moest steeds meer investeren in dijken en molens om zijn land droog te houden.

De bodem

Elke keer dat het water werd weggemalen, kwam er lucht bij het veen en verteerde het verder. Wat begon als een oplossing, werd een spiraal die nu, eeuwen later, nog doorgaat.

Het waterschap

Het waterschap moest het peil bepalen en de molens laten draaien. Daarbij moest het kiezen tussen belangen: droog land voor de boer, veilige dijken voor iedereen. Die afweging is in de kern nog dezelfde.

De stedeling

De groeiende steden kregen boter, kaas en vlees van het platteland vlak bij huis. Hun vraag stuurde wat boeren gingen maken. Het graan voor hun brood kwam van ver.

Om over te praten

Boeren in Holland pasten zich eeuwen geleden aan een zakkende bodem aan door over te stappen op koeien. Moeten boeren in het veenweidegebied zich nu opnieuw aanpassen, en zo ja, hoe?

Bronnen