Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 2ca. 600 v.Chr.Aanloopconcept

Terpen en wierden

Wonen boven het tij

Vanaf ongeveer 600 v.Chr. vestigden boeren zich op de kwelders langs de kust van Friesland en Groningen. Dat land was vruchtbaar, maar liep bij stormvloed onder. Daarom wierpen ze heuvels op om droog te blijven: terpen in Friesland, wierden in Groningen. Ruim anderhalf millennium leefden ze zo met het water in plaats van ertegen.

Vruchtbaar en nat

Langs de noordkust lag een open landschap van kwelders: land dat de zee zelf had opgebouwd met slib, doorsneden door geulen. Het gras was rijk en de grond vruchtbaar. Bij gewoon hoog water bleef het droog, maar bij storm stroomde de zee eroverheen.

De eerste bewoners bouwden hun boerderijen op de hoogste plekken, gewoon op het maaiveld. Toen de overstromingen vaker en hoger kwamen, begonnen ze de grond onder hun huis op te hogen.

Een heuvel van zoden en mest

Een terp groeide langzaam, over eeuwen. Bewoners legden laag na laag aan: kleizoden, mest, stro en afval. Eerst ging het om één huis, later groeiden terpen aan elkaar tot dorpsheuvels. Sommige werden meters hoog. In Noord-Nederland zijn honderden terpen en wierden bekend.

Archeoloog Albert Egges van Giffen groef tussen de wereldoorlogen de wierde van Ezinge op. Hij vond er boerderijen uit verschillende eeuwen, boven op elkaar. Zo werd duidelijk hoe de mensen hier leefden.

Ruim anderhalf millennium woonden mensen aan de Noord-Nederlandse kust zonder dijken, op heuvels die ze zelf opwierpen.Leven met het water

Leven van vee en kwelder

De terpbewoners waren vooral veehouders. Runderen en schapen graasden op de kwelder en gingen bij hoog water naar de terp. Mens en dier woonden vaak onder één dak. Op de hogere delen verbouwden ze ook gewassen als gerst, paardenbonen en vlas.

Ze waren niet afgesloten van de wereld. Via geulen en de zee handelden ze in vee, huiden en andere producten. De Romeinse schrijver Plinius de Oudere beschreef in de eerste eeuw na Christus mensen aan de Noordzeekust die op zelfgemaakte heuvels woonden. Hij vond hun bestaan erbarmelijk. De bewoners zelf zagen dat waarschijnlijk anders.

Van terp naar dijk

Rond het jaar 1000 begonnen de bewoners dijken aan te leggen. Eerst lage dijkjes rond hun land, later doorlopende zeedijken. Daarmee hoefden ze niet meer omhoog te bouwen, maar hielden ze het water buiten. Het land achter de dijk kreeg geen nieuw slib meer en kwam langzaam lager te liggen dan het land buiten de dijk.

In de negentiende en vroege twintigste eeuw werden veel terpen afgegraven. De vruchtbare terpaarde werd als mest verkocht aan boeren elders. Archeologen konden daarbij veel vondsten redden, maar veel ging ook verloren. Nu zijn de overgebleven terpen beschermd erfgoed.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De terpboer

Voor de terpbewoners was de kwelder een rijke plek, met goed gras voor het vee. De terp was hun verzekering tegen de zee. Het ophogen was werk van generaties, dat ouders aan hun kinderen doorgaven.

De zee

De zee was hier niet alleen een bedreiging. Ze bracht slib, dat het land vruchtbaar maakte en liet meegroeien. Pas toen er dijken kwamen, stopte die aanvoer en bleef het land achter de dijk achter.

De buitenstaander

Romeinse schrijvers zagen de mensen op de heuvels als arm en primitief. Hun beeld zegt misschien meer over de toeschouwer dan over het leven op de terp. Ook nu kijken buitenstaanders soms met hun eigen bril naar het platteland.

De archeoloog

Elke terp is een archief van eeuwen leven. Het afgraven leverde veel kennis op, maar vernietigde ook veel. Wat er nu nog ligt, is kwetsbaar, bijvoorbeeld door uitdroging van de bodem.

Om over te praten

De terpbewoners pasten zich aan het water aan in plaats van het buiten te houden. Wat kunnen we daarvan leren nu de zeespiegel stijgt?

Bronnen