Meekrap, hennep, tabak en tulpen
In de Gouden Eeuw verbouwden veel boeren niet alleen voedsel, maar ook gewassen voor de handel en de nijverheid. Meekrap voor rode verf, hennep voor touw, tabak voor de pijp en tulpen voor de liefhebber. Ze brachten geld op, maar ook risico. In 1637 stortte de handel in tulpenbollen spectaculair in.
- Een gevlamde tulpenbol: het symbool van speculatie.
- Een bos gedroogde tabaksbladeren van de zandgronden.
- Een streng hennep voor touw en netten.
- Rode meekrapwortel: verf voor de textielnijverheid.
- Een contract met zegel: handel op papier in de herberg.
Gewassen voor de nijverheid
De Republiek had een grote vloot, drukke steden en veel werkplaatsen. Die vroegen om grondstoffen. Boeren speelden daarop in. In Zeeland en op de Zuid-Hollandse eilanden teelden ze meekrap, een plant waarvan de wortel een rode kleurstof leverde voor textiel. De wortels werden gedroogd en gemalen in speciale meestoven.
In de Krimpenerwaard en de Alblasserwaard verbouwden boeren hennep. De vezels gingen naar de lijnbanen, waar touw en netten werden gemaakt voor scheepvaart en visserij. Ook vlas voor linnen en koolzaad voor lampolie waren belangrijke handelsgewassen.
Tabak op het zand
Rond Amersfoort en Nijkerk en op andere plekken op de zandgronden werd vanaf de zeventiende eeuw tabak geteeld. Het was arbeidsintensief werk dat veel mest vroeg, maar een kleine boer kon er op een klein stuk grond relatief veel mee verdienen. De Nederlandse tabak werd vaak gemengd met tabak uit Amerika. Toen de concurrentie uit Amerika groeide, kromp de teelt in de achttiende eeuw weer.
De tulpenmanie
De tulp kwam in de late zestiende eeuw uit het Ottomaanse Rijk naar de Nederlanden. Bijzondere, gevlamde tulpen werden een geliefd verzamelobject van rijke burgers. Kwekers rond Haarlem vermeerderden de bollen.
In 1636 ontstond een koortsachtige handel. Mensen kochten bollen die nog in de grond zaten, op papier, vaak in herbergen. Voor zeldzame bollen werden bedragen genoemd die hoger lagen dan het jaarloon van een vakman. In februari 1637 vonden kopers ineens niet meer. De prijzen stortten in, en veel contracten werden nooit uitbetaald.
Historici zijn het er nu over eens dat de gevolgen kleiner waren dan het verhaal later deed geloven. De handel speelde zich af in een beperkte kring. Toch werd de tulpenmanie het bekendste voorbeeld van een speculatiebubbel.
Kansen en risico's
Handelsgewassen lieten zien hoe sterk de Nederlandse boer op de markt gericht was. Hij teelde wat geld opbracht, en paste zich aan als prijzen veranderden. Dat gaf kansen, maar ook kwetsbaarheid. Toen in de negentiende eeuw kunstmatige kleurstof werd uitgevonden, verdween de meekrapteelt vrijwel helemaal. De bloembollen bleven en groeiden uit tot een wereldwijde sector.
- De bloembollensector groeide uit tot een grote exportsector, met de Bollenstreek als bekendste gebied.
- De gerichtheid op markt en export bleef een kenmerk van de Nederlandse landbouw. Zie De Oostzeehandel en Kaas- en botermarkten.
- Handelsgewassen kunnen snel verdwijnen als de markt verandert, zoals meekrap na de uitvinding van synthetische verf.
- De vraag hoeveel risico een boer kan dragen op een grillige markt kwam later steeds terug. Zie De landbouwcrisis.
Vier perspectieven
De boer
Voor de boer waren handelsgewassen een kans om meer te verdienen dan met graan. Ze vroegen veel arbeid, kennis en mest. Een slechte prijs kon een heel jaar werk tenietdoen.
De koopman
Voor de koopman waren meekrap, hennep en tabak grondstoffen voor handel en nijverheid. Hij bepaalde vaak de prijs. Zijn winst hing af van verre markten.
De speculant
Voor wie in 1636 tulpenbollen kocht, leek snel geld binnen bereik. Maar wie te laat instapte, bleef achter met contracten die niemand meer wilde nakomen. De bubbel liet zien hoe snel vertrouwen kan omslaan.
De stedeling
Voor de stedeling waren de producten van het land dagelijks zichtbaar: gekleurde stoffen, touw in de haven, een pijp tabak, tulpen in de tuin. Het platteland leverde niet alleen eten, maar ook luxe en grondstoffen.
Boeren in de Gouden Eeuw teelden wat de markt vroeg, met alle kansen en risico's. Moet een boer nu vooral telen wat het meeste oplevert, of wat de streek en de samenleving nodig hebben?
- A. Goldgar, Tulipmania. Money, Honor, and Knowledge in the Dutch Golden Age (2007).
- H.K. Roessingh, Inlandse tabak. Expansie en contractie van een handelsgewas in de 17e en 18e eeuw in Nederland (1976).
- J. de Vries, The Dutch Rural Economy in the Golden Age, 1500–1700 (1974).
- J. Bieleman, Boeren in Nederland. Geschiedenis van de landbouw 1500–2000 (2008).