Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 3ca. 50 n.Chr.Aanloopconcept

Boeren aan de Romeinse limes

Het leger als klant

Rond het midden van de eerste eeuw werd de Rijn de noordgrens van het Romeinse Rijk. Langs die grens, de limes, lagen forten vol soldaten die elke dag moesten eten. Voor de boeren in het rivierengebied werd het leger een grote klant, maar ook een gezag dat belasting en rekruten eiste. Zo kwam de Nederlandse landbouw voor het eerst in aanraking met een staat en een markt van buiten.

Een grens langs de Rijn

Rond 47 n.Chr. besloot keizer Claudius dat het rijk niet verder naar het noorden zou uitbreiden. De Rijn werd de grens. Langs de rivier verrees een reeks forten, wachttorens en een weg, van Katwijk tot ver in Duitsland. Bekende forten lagen onder meer bij Valkenburg, Woerden, Utrecht en Vechten. Bij Nijmegen lag in de eerste eeuw een groot legerkamp.

Ten zuiden van de grens woonden de Bataven en de Cananefaten, ten noorden ervan de Friezen. Zij bleven boeren, maar hun wereld veranderde.

Vlees, huiden en paarden

Een soldaat at graan, vlees en zuivel, en een fort had veel leer nodig voor tenten, schoenen en schilden. Het leger kocht en vorderde dat bij de boeren in de omgeving. Uit onderzoek naar botten en boerderijen blijkt dat boeren in het rivierengebied meer runderen en paarden gingen houden. Hun boerderijen werden groter, en sommigen werden welvarend.

In Zuid-Limburg ontstonden op de vruchtbare löss grote villa's: landbouwbedrijven naar Romeins model, met stenen gebouwen. Zij teelden graan voor de markt en het leger.

In 28 n.Chr. kwamen de Friezen in opstand omdat een Romeinse ambtenaar hun belasting in ossenhuiden plotseling flink verhoogde.Naar de Romeinse geschiedschrijver Tacitus

Wat de Romeinen meebrachten

Met de Romeinen kwamen nieuwe producten en gewoonten. Ze brachten wijn, olijfolie en vissaus mee, en geldmunten. Ook geteelde fruitbomen, zoals appel- en perenrassen, en nieuwe tuinkruiden raakten in deze tijd bekend. Romeinse wegen en rivierhavens maakten handel over grotere afstand mogelijk.

Belasting en verzet

Het Romeinse gezag had ook een prijs. De Bataven betaalden geen gewone belasting, maar leverden soldaten. Duizenden jonge mannen dienden als ruiter of soldaat in het leger.

De Friezen moesten belasting betalen in ossenhuiden. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Tacitus eiste een Romeinse ambtenaar in 28 n.Chr. ineens huiden zo groot als die van oerossen. De Friezen raakten hun vee en zelfs hun land kwijt, en kwamen in opstand. In 69 n.Chr. volgde de grote Bataafse opstand. Beide keren speelden zware eisen van het rijk een rol.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De Bataafse boer

Voor boeren in het rivierengebied bood het leger een vaste afzet. Wie vee en paarden kon leveren, verdiende goed. Maar hun zonen vertrokken als soldaat, soms voor vele jaren.

De Friese boer

Ten noorden van de grens voelde het rijk vooral als een eisende macht. De belasting in huiden kon een boerenfamilie haar vee kosten. Verzet was voor hen een vorm van zelfbehoud.

Het rijk

Voor Rome was de grens een militaire en economische zaak. Het leger moest gevoed worden, en de omgeving moest daarvoor betalen. Rust aan de grens was belangrijker dan het lot van de individuele boer.

Het landschap

Om forten, schepen en brandstof te maken, werd veel hout gekapt. Ook nam de veestapel in het rivierengebied toe. De grote vraag van het leger liet zo sporen na in het landschap.

Om over te praten

Het Romeinse leger was voor boeren een grote, vaste klant, maar ook een machtige partij die de voorwaarden bepaalde. Hoe afhankelijk is de boer nu van één grote afnemer?

Bronnen