Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 4ca. 800Aanloopconcept

Hofstelsel en kloosters

Werken voor de heer

Rond 800 regeerde Karel de Grote over een groot Frankisch rijk, waar ook het zuiden en oosten van Nederland bij hoorden. Veel land was in handen van koning, edelen en kloosters. Zij lieten het bewerken door boeren die van hen afhankelijk waren: het hofstelsel. Kloosters waren bovendien plekken waar kennis over landbouw werd bewaard en doorgegeven.

Een hof met horigen

In het hofstelsel draaide alles om de hof: een groot landgoed met een centrale boerderij. Een deel van de grond hield de heer zelf. Dat land werd bewerkt door boeren uit de omgeving. De rest gaf hij in stukken uit aan boerengezinnen, die er hun eigen bestaan op bouwden.

Die boeren waren vaak horig. Ze waren geen slaven, maar ook niet vrij. Ze mochten niet zomaar vertrekken. In ruil voor hun grond betaalden ze in natura: graan, vee, eieren, kippen of linnen. Daarnaast moesten ze een aantal dagen per jaar op het land van de heer werken. Dat heette herendienst.

Kloosters als grootgrondbezitters

Na de kerstening schonken koningen en edelen veel grond aan kerken en kloosters. Zo kregen bijvoorbeeld de abdij van Echternach, gesticht door Willibrord, en de abdij van Werden, gesticht door Liudger, bezit verspreid over ons land. Kloosters lieten precies opschrijven welke boerderij wat moest leveren. Zulke lijsten zijn voor historici een belangrijke bron.

Onder Karel de Grote werd ook de tiende verplicht: een tiende deel van de oogst ging naar de kerk. Die heffing zou in sommige vormen nog eeuwen blijven bestaan.

Rond 800 bepaalde een koninklijk voorschrift tot in detail welke planten, bomen en dieren op de landgoederen van de koning aanwezig moesten zijn.Het Capitulare de villis

Kennis in de kloostertuin

Kloosters waren ook kenniscentra. Monniken lazen en kopieerden oude teksten, waaronder Romeinse boeken over landbouw. Ze hielden moestuinen, kruidentuinen en boomgaarden bij.

In het Capitulare de villis, een voorschrift voor de koninklijke landgoederen van rond 800, staat een lange lijst van planten en bomen die er moesten worden gekweekt. Ook wordt beschreven hoe de goederen moesten worden beheerd en geteld. Het laat zien hoe het bestuur zich met de landbouw bemoeide.

Niet overal hetzelfde

Het hofstelsel kwam vooral voor in het zuiden en oosten, op de hogere gronden. In het kustgebied en in Friesland woonden veel vrije boeren, die minder met heren te maken hadden. Ook in het hofstelsel was het beeld gevarieerd.

Vanaf de twaalfde en dertiende eeuw viel het stelsel langzaam uit elkaar. Heren gingen hun land liever verpachten voor geld of een deel van de oogst. Horigheid verdween, maar de afstand tussen wie het land bezit en wie het bewerkt, bleef.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De horige boer

De horige boer had grond om van te leven, en bescherming van een heer. Daar stond veel tegenover: afdrachten, verplicht werk en weinig vrijheid om te vertrekken. Of dat een redelijke ruil was, hing sterk af van de heer.

De abt

Voor een klooster was landbezit de basis van het bestaan. De opbrengst onderhield de monniken, de kerk en de zorg voor armen en reizigers. Goed beheer en nauwkeurige administratie hoorden daarbij.

De koning

Voor Karel de Grote waren de landgoederen de ruggengraat van zijn rijk. Ze voedden het hof en het leger. Daarom wilde hij weten wat er werd verbouwd en hoe het werd beheerd.

De vrije boer

In het kustgebied en het noorden waren veel boeren niet horig. Zij werkten voor zichzelf en handelden zelf. Hun bestaan laat zien dat het hofstelsel nooit het hele land omvatte.

Om over te praten

In het hofstelsel bewerkten boeren grond die niet van hen was. Maakt het voor de manier waarop je met land omgaat uit of je het zelf bezit?

Bronnen