Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 191888Vernieuwingconcept

Kunstmest en de heide-ontginning

De heide moet eraan

Rond 1900 lagen er in het oosten en zuiden van Nederland nog uitgestrekte heidevelden. Voor velen waren dat "woeste gronden": nutteloos land dat in cultuur moest worden gebracht. Met kunstmest werd dat voor het eerst echt mogelijk. De Nederlandsche Heidemaatschappij, opgericht in 1888, ging aan de slag. In een halve eeuw verdween het grootste deel van de heide.

Mest was schaars

Op de zandgronden was mest eeuwenlang de beperkende factor. Boeren hielden schapen op de heide en staken heideplaggen om hun akkers te bemesten. Dat systeem van Plaggen en potstal kostte veel heide: voor elke hectare akker was veel meer hectare heide nodig. Zo bleef de heide bestaan, als onmisbaar deel van het boerenbedrijf.

Mest uit de fabriek

In de negentiende eeuw ontdekten scheikundigen, onder wie de Duitser Justus von Liebig, dat planten bepaalde stoffen uit de bodem nodig hebben, zoals stikstof, fosfaat en kali. Die stoffen kon je ook in andere vorm toevoegen. Er kwam kunstmest op de markt: guano, Chilisalpeter, superfosfaat en Thomasslakkenmeel, een restproduct van de staalindustrie.

Rond 1890 werd kunstmest steeds goedkoper en meer gebruikt. Daarmee was de boer niet langer afhankelijk van heideplaggen en schapenmest. De heide verloor haar functie, en de schaapskuddes verdwenen snel.

De heide waar we nu van genieten, ontstond juist door boerengebruik. Ze verdween toen boeren haar niet meer nodig hadden.Een landschap gemaakt én opgegeven door de landbouw

De Heidemaatschappij

In 1888 werd in Arnhem de Nederlandsche Heidemaatschappij opgericht. De oprichters wilden de "woeste gronden" nuttig maken: ontginnen tot akker en weiland, of beplanten met bos. Ook stuifzanden, die soms dorpen en akkers bedreigden, werden met dennen vastgelegd. Het hout ging onder meer als stutten naar de mijnen.

De Heidemaatschappij gaf advies, groef kanalen en sloten, en voerde zelf ontginningen uit. Ze werd een grote organisatie voor landinrichting en waterbeheer. In de crisisjaren van de twintigste eeuw werkten er veel werklozen in de werkverschaffing, met schop en kruiwagen.

Een ander landschap

Rond 1900 lag er nog enkele honderdduizenden hectares heide en ander woest land. Een halve eeuw later was daar een groot deel van verdwenen. Er kwamen nieuwe boerderijen, rechte wegen en blokvormige percelen. Voor veel jonge boerengezinnen bood dat een kans op een eigen bedrijf.

Tegelijk groeide er verzet. Natuurliefhebbers vonden dat de heide een eigen schoonheid had. In 1905 werd Natuurmonumenten opgericht, en de laatste heidevelden werden beschermd. Kunstmest bleef daarna een vast onderdeel van de landbouw, en de hoeveelheden namen sterk toe.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De ontginner

Voor een jonge boer was ontgonnen heide een kans op een eigen bedrijf. Het werk was zwaar en de eerste jaren waren mager. Maar met kunstmest gaf het arme zand toch een oogst.

De natuurliefhebber

Voor natuurbeschermers was de heide geen woeste grond, maar een landschap met eigen planten, vogels en stilte. Ze zagen haar met lede ogen verdwijnen en begonnen gebieden op te kopen om ze te redden.

De scheikundige

Voor de wetenschap was kunstmest een doorbraak. Je kon nu berekenen wat een plant nodig had en dat precies toevoegen. Die kennis legde de basis voor de enorme groei van de landbouwproductie in de twintigste eeuw.

De schaapherder

Met het verdwijnen van de heide verdween ook de herder met zijn kudde. Een eeuwenoud beroep raakte in een paar decennia vrijwel overbodig. Nu lopen er weer schaapskuddes, maar dan om de heide als natuur te beheren.

Om over te praten

Wat in 1900 woeste grond heette, noemen we nu kostbare natuur. Wie bepaalt wat nuttig land is?

Bronnen