Aardappelziekte en honger
In de zomer van 1845 verkleurde het loof van de aardappelplanten in een paar dagen tijd zwart. De knollen rotten weg in de grond. Voor arme gezinnen, die bijna alleen nog aardappelen aten, betekende dat honger. Het was de laatste grote voedselcrisis in vredestijd in Nederland, en de ziekte zelf is nooit verdwenen.
- Zwartgevlekte, rottende aardappelen: de oogst die verloren ging.
- Een korst roggebrood: ook het graan mislukte in 1846.
- De lege lepel: honger in een arm gezin.
- Het olielampje: een klein lichtpunt in een donkere tijd.
- Door het raam de akker met zwart, afgestorven loof.
Het volksvoedsel
In de achttiende en vroege negentiende eeuw werd de aardappel het voedsel van de armen. Een akker met aardappelen leverde veel meer eten op dan dezelfde akker met graan. Landarbeiders, wevers en kleine boeren aten ze soms drie keer per dag. Die afhankelijkheid maakte hen kwetsbaar: als de aardappel mislukte, was er weinig om op terug te vallen.
Een onbekende ziekte
In 1845 dook een nieuwe ziekte op in West-Europa. Ze kwam waarschijnlijk uit Amerika, met schepen mee. Het natte zomerweer hielp haar om zich snel te verspreiden. Bladeren kregen bruine vlekken, het loof stierf af, en de knollen werden zacht en gingen stinken.
Niemand wist wat de oorzaak was. Sommigen dachten aan het weer, anderen aan bedorven lucht of aan uitputting van het gewas. Pas in 1861 toonde de Duitse onderzoeker Anton de Bary aan dat een schimmelachtig organisme de boosdoener was. Het kreeg de naam Phytophthora infestans: de plantenvernietiger.
Honger en onrust
In 1845 en 1846 ging een groot deel van de aardappeloogst verloren. In 1846 mislukte ook de rogge. De prijzen van voedsel schoten omhoog, terwijl de lonen gelijk bleven. Vooral in de steden en op de armere zandgronden was de nood groot.
In 1847 braken in meerdere plaatsen voedselrellen uit. Mensen plunderden bakkerijen en marktkramen. Armbesturen en kerken deelden soep en brood uit. Volgens historici stierven er in 1846 en 1847 tienduizenden mensen meer dan normaal, door honger en door ziekten die verzwakte mensen niet konden doorstaan. In Ierland, waar mensen nog afhankelijker waren van de aardappel, liep het uit op een ramp met ongeveer een miljoen doden.
Vertrekken of volhouden
Een deel van de Nederlanders zocht een uitweg over zee. In de jaren na 1846 vertrokken groepen naar de Verenigde Staten, onder wie veel afgescheiden protestanten die ook om hun geloof weggingen. Zij stichtten onder meer het plaatsje Holland in Michigan.
Op het land begon een lange strijd tegen de ziekte. Boeren zochten naar rassen die er beter tegen bestand waren. Vanaf het eind van de negentiende eeuw bespoten ze het gewas met een kopermengsel. Die strijd tussen teler en ziekteverwekker is sindsdien nooit opgehouden.
- De crisis liet zien hoe kwetsbaar een samenleving is die afhangt van één gewas. Voedselzekerheid werd een vraag voor de overheid. Zie ook De Hongerwinter.
- De zoektocht naar de oorzaak hielp de plantenziektekunde op gang. Onderzoek naar resistente rassen loopt nog altijd, onder meer in Wageningen en de voorlichting.
- Nederland werd een grote exporteur van pootaardappelen. Tegelijk is de aardappel een van de gewassen waarop de meeste middelen tegen schimmelziekten worden gebruikt.
- Hoe je de ziekte bestrijdt, met chemie, met resistente rassen of met nieuwe veredelingstechnieken, is een open debat. Zie ook Biologische landbouw.
Vier perspectieven
De arbeider
Voor een landarbeider of wever was de aardappel het enige betaalbare voedsel. Toen de oogst mislukte en het brood duurder werd, bleef er niets over. Honger, bedelen of vertrekken waren de opties.
De boer
Boeren met eigen land en vee kwamen de crisis vaak beter door. Wie graan te koop had, verdiende soms zelfs aan de hoge prijzen. Maar ook zij stonden machteloos tegenover een ziekte die niemand begreep.
De wetenschapper
Onderzoekers zagen een raadsel. Was het weer de oorzaak, of zat er iets levends achter? Het antwoord van De Bary hielp het idee vestigen dat micro-organismen planten ziek kunnen maken. Daarop bouwen plantenveredelaars nog altijd voort.
De overheid
De regering zag voor de staat maar een kleine rol. De zorg voor de armen lag vooral bij kerken en gemeenten. Wel werd de invoer van graan makkelijker gemaakt. De vraag hoeveel de overheid moet doen als voedsel schaars wordt, keert sindsdien steeds terug.
Een land dat leunt op één gewas, of op één manier van boeren, is kwetsbaar. Hoe afhankelijk zijn we nu, en van wat?
- M. Bergman, 'The Potato Blight in the Netherlands and its Social Consequences (1845–1847)', International Review of Social History (1967).
- C. Ó Gráda, R. Paping en E. Vanhaute (red.), When the Potato Failed. Causes and Effects of the 'Last' European Subsistence Crisis, 1845–1850 (2007).
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture 1500–2000 (2010).
- Wageningen University & Research, informatie over onderzoek naar Phytophthora en resistente aardappelrassen.