In dit schilderij
- De kaart van de Zuiderzee: een zee op papier herverdeeld.
- De rode lijn van de afsluitdijk.
- De getekende polders: nieuw land, nog voordat het bestaat.
- Passer en liniaal: de ingenieur als ontwerper van het land.
- Het visnet: het bestaan dat verloren ging.
Het nieuwe land
Op 14 juni 1918 kreeg Nederland de Zuiderzeewet. De Zuiderzee zou worden afgesloten met een dijk, en een deel ervan zou worden drooggelegd. Het was het grootste waterbouwproject in de Nederlandse geschiedenis. Het doel was veiligheid tegen overstromingen, en nieuw land voor de landbouw.
Een oud plan
De Zuiderzee was een binnenzee, die bij storm grote schade kon aanrichten. Plannen om haar af te sluiten waren er al in de zeventiende eeuw, maar de techniek ontbrak. Na de droogmaking van de Haarlemmermeer: droog met stoom groeide het vertrouwen dat het kon. In 1886 werd de Zuiderzeevereeniging opgericht, om te onderzoeken of droogleggen haalbaar was.
Ingenieur Cornelis Lely werkte rond 1891 een plan uit: een afsluitdijk van Noord-Holland naar Friesland, en een aantal polders in het afgesloten meer. Een staatscommissie adviseerde in 1892 om het plan uit te voeren. Lely werd drie keer minister van Waterstaat. Toch bleef zijn plan lang op de plank liggen, omdat het duur was en velen het niet nodig vonden. Lely schatte de kosten van het hele plan op tweehonderd miljoen gulden.
Storm en honger
Twee gebeurtenissen gaven de doorslag. In de nacht van 13 op 14 januari 1916 brak een zware storm de dijken op verschillende plaatsen rond de Zuiderzee. Op Marken spoelden huizen weg en vielen zestien doden. Bijna heel Waterland, ten noorden van Amsterdam, liep onder water.
Tegelijk woedde de Eerste Wereldoorlog. Nederland was neutraal, maar de invoer van voedsel en veevoer liep vast. Er waren tekorten. Veiligheid en voedsel kwamen zo samen. Lely was toen weer minister. In september 1916 legde hij zijn definitieve ontwerp voor. In 1918 namen beide Kamers de wet aan, en zag Lely zijn plan alsnog werkelijkheid worden.
Dijk en polders
Eerst kwam bij Andijk een proefpolder van 40 hectare, om te zien hoe de zeebodem zich als landbouwgrond zou gedragen. Daarna volgde de Wieringermeer, ongeveer 20.000 hectare, die in augustus 1930 droogviel. De natuurkundige Hendrik Lorentz berekende vooraf hoe het water langs de Waddenkust na de afsluiting zou stijgen. Daardoor werd de dijk hoger dan eerst gepland.
Op 28 mei 1932 werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten. De Zuiderzee werd het IJsselmeer, een zoetwatermeer. Lely maakte het niet meer mee: hij overleed in 1929. Daarna volgden de Noordoostpolder in 1942 en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland in 1957 en 1968. Urk en Schokland waren daarna geen eiland meer. De Markerwaard is er nooit gekomen.
Nieuw land, nieuwe boeren
De nieuwe polders werden van bovenaf ingericht. De overheid ontwierp dorpen, wegen, boerderijen en kavels. In de Wieringermeer gaf ze het land voor het eerst zelf uit, in pacht en in kavels van meestal twintig hectare. Boeren moesten solliciteren om er een bedrijf te mogen pachten. Ze werden streng geselecteerd op vakkennis, gezondheid, geld en soms ook op geloof, zodat er een evenwichtige gemeenschap zou ontstaan.
In de Noordoostpolder kwamen de eerste boeren vooral uit Friesland, Noord-Holland en Zeeland. Na de watersnood van 1953 kregen ook veel boeren van de Zeeuwse eilanden er een plek, onder meer uit Schouwen-Duiveland en Zuid-Beveland.
Wie verloor
Voor de vissers was de afsluiting een klap. De zoute Zuiderzee had veel ansjovis en haring. In het zoete IJsselmeer verdwenen die vissoorten. In plaatsen als Urk, Volendam en Spakenburg moesten vissers een ander bestaan zoeken of verder op zee gaan vissen.
De Zuiderzeesteunwet van 1925 bood hulp: geld voor omscholing, hulp bij het vinden van ander werk, en later een vergoeding voor boten en netten die minder waard werden. Als het niet anders kon, kwam er een uitkering. In 1955 kregen nog zo'n 1600 mensen steun, vooral oude vissers en weduwen. Veel vissers vonden de hulp te mager.
Ook de bestemming van het nieuwe land veranderde. In Flevoland kwamen naast boerderijen ook steden, zoals Lelystad en Almere, en beschermde gebieden zoals de Oostvaardersplassen. Wat begon als landbouwplan, werd een plan voor wonen, recreatie en nieuwe leefgebieden voor planten en dieren.
- De Zuiderzeewerken leverden ongeveer 165.000 hectare nieuw land op. De polders behoren tot de meest productieve landbouwgronden van het land.
- De polders werden een proeftuin voor moderne, grootschalige landbouw. Dat model werkte door in de Ruilverkaveling en in het denken van Sicco Mansholt, zelf boer in de Wieringermeer. Zie Mansholt en het Europese landbouwbeleid.
- Het IJsselmeer is een grote voorraad zoet water voor landbouw en drinkwater. Bij droogte wordt die voorraad steeds belangrijker. Zie Klimaat: water en bodem sturend.
- De Wieringermeer werd op 17 april 1945 door de Duitse bezetter onder water gezet, aan het eind van de Hongerwinter. Zie Oorlog en wederopbouw. Honderden boerderijen werden verwoest. In december 1945 lag de polder weer droog.
- Sinds 2016 worden in het Markermeer de Marker Wadden aangelegd: eilanden voor vogels, vissen en planten, waar eerst een polder was gepland.
Vier perspectieven
De ingenieur
Voor ingenieurs was de Zuiderzeewet de kroon op eeuwen van waterbouw. Ze ontwierpen niet alleen een dijk, maar een heel nieuw landschap, tot de plek van elke boerderij en elk dorp. Ze leerden onderweg: van de proefpolder, van de berekeningen van Lorentz, van elke nieuwe polder. Het werk gaf Nederland wereldwijd naam als waterbouwland.
De visser
Voor vissers betekende de afsluiting het einde van een eeuwenoud bestaan. Ze werden beperkt gecompenseerd. Een uitkering of omscholing was iets anders dan een eigen schip en een eigen vak. Velen voelden dat hun belangen ondergeschikt werden gemaakt aan die van de landbouw. In Urk en Volendam leeft die herinnering nog.
De nieuwe boer
Wie werd uitgekozen voor een bedrijf in de polder, kreeg een kans op modern land met goede grond. Voor een boerenzoon die thuis geen bedrijf kon overnemen, was dat een uitkomst. Maar de pachters waren gebonden aan strenge regels van de overheid, over het bedrijf en soms over het leven in het dorp. Vrijheid en zekerheid gingen niet altijd samen.
De overheid
Voor de staat was het project een manier om veiligheid, voedsel en werk te regelen. Nooit eerder had de overheid zo ver ingegrepen in de inrichting van het land. Ze koos wie er mocht wonen, hoe groot een bedrijf werd en waar de kerk kwam. Dat werd een voorbeeld voor latere plannen, zoals de Ruilverkaveling.
- Op de Afsluitdijk staat een standbeeld van Lely, gemaakt door Mari Andriessen. Het werd onthuld in 1954, op Lely's honderdste geboortedag.
- Lely was tussen zijn ministerschappen ook gouverneur van Suriname, van 1902 tot 1905. De stad Lelystad is naar hem genoemd.
- In de oorlog doken naar schatting zo'n twintigduizend mensen onder in de Noordoostpolder. Wie er werkte, hoefde niet in Duitsland te werken. In Espel en Creil herinneren de Onderduikersweg en het Onderduikerspad daaraan.
- Emmeloord was gepland voor zo'n 10.000 inwoners. Het groeide uit tot ruim 26.000.
In de Zuiderzeepolders bepaalde de overheid wie er mocht boeren en hoe. Hoeveel invloed moet de overheid nu hebben op het gebruik van landbouwgrond?
- Zuiderzeemuseum (Enkhuizen), informatie over de Zuiderzee en de afsluiting.
- Nieuw Land Erfgoedcentrum (Lelystad), informatie over de Zuiderzeewerken en de polders.
- Rijkswaterstaat, informatie over de Afsluitdijk en de Zuiderzeewerken.
- J. Bieleman, Five Centuries of Farming. A Short History of Dutch Agriculture 1500–2000 (2010).
- Wikipedia (nl), lemma's 'Zuiderzeewerken', 'Watersnood van 1916', 'Zuiderzeesteunwet', 'Cornelis Lely', 'Wieringermeer' en 'Noordoostpolder'.