Landbouwcanon

In dit schilderij

  • De paarse heide met herder en kudde: een landschap van boeren gemaakt.
  • Arbeiders met schop en kruiwagen: werkverschaffing in de jaren dertig.
  • De trekker met de zware ploeg: de laatste ontginningen na de oorlog.
  • De nieuwe boerderij op het ontgonnen land.
  • Rijen jonge dennen op het arme zand.
Venster 21ca. 1890 – 1960Crisis en oorlogconcept

De heide-ontginning

Van woeste grond tot akker en bos

Rond 1833 lag er in Nederland zo'n 600.000 hectare heide, bijna een vijfde van het land. Anderhalve eeuw later was daar nog maar een fractie van over. De ontginning kwam in golven: na 1888 met kunstmest en de Heidemaatschappij, in de jaren dertig met werklozen in de werkverschaffing, en na de oorlog met machines. In 1961 koos de regering ervoor de laatste heide te sparen.

Heide is boerenland

Heide is geen wildernis. Ze ontstond doordat boeren eeuwenlang schapen lieten grazen en plaggen staken. Zonder dat gebruik was er bos gegroeid. De heide leverde de mest voor de akkers en hoorde dus bij het boerenbedrijf. Zie Plaggen en potstal. Vaak was ze gemeenschappelijk bezit van de boeren in een marke.

In de negentiende eeuw veranderde dat. De marken werden verdeeld, en de heide kwam in handen van particulieren en gemeenten. Wie de heide "woeste grond" noemde, zag vooral kansen. Het land moest nuttig worden: akker, wei of bos. Ook stuifzanden, die soms akkers en dorpen bedreigden, moesten worden vastgelegd.

Kunstmest en de Heidemaatschappij

Het probleem was mest. Zonder heide geen mest, en zonder mest geen akker. Kunstmest doorbrak die cirkel. Zie Kunstmest. Toen spoorlijnen en kanalen het zand bereikten, kon een boer zijn akker bemesten zonder heide.

Op 5 januari 1888 werd in Arnhem de Nederlandsche Heidemaatschappij opgericht. Ze gaf advies, groef sloten en kanalen en plantte bos. Het hout ging onder meer als stutten naar de mijnen. In 1899 kwam Staatsbosbeheer, en in 1913 de Grontmij, een maatschappij voor grondverbetering en ontginning. Rijkslandbouwleraren hielpen boeren met bemesting en ontginning. Zie Wageningen en de voorlichting. Vanaf 1920 gaf het Rijk renteloze voorschotten voor boerderijen op ontgonnen grond.

Werk voor werklozen

In de crisis van de jaren dertig kreeg ontginnen een tweede doel: werk. In de werkverschaffing kregen werkloze mannen iets meer dan hun steun, in ruil voor zwaar werk met schop en kruiwagen. Ze groeven sloten, legden wegen aan en ontgonnen heide. De Heidemaatschappij was de grootste uitvoerder. Tienduizenden mannen werkten onder haar toezicht. Rond 1934 werkten alleen al in Drenthe bijna 6.000 mensen aan ontginningen. Sommigen woonden in werkkampen ver van huis, zoals Kamp de Beetse bij Sellingen, gebouwd in 1935.

Het Rijk betaalde een steeds groter deel. In de jaren tien werd vrijwel geen ontginning gesubsidieerd. In de jaren dertig gebeurde het meeste met overheidsgeld. In de oorlog ging het werk door. In 1942 hield de Heidemaatschappij, op last van de bezetter, ook toezicht op Joodse mannen in aparte werkkampen.

Wat de ene generatie woeste grond noemde, beschermde de volgende als kostbaar landschap. Beide keken naar dezelfde heide.Van woeste grond tot beschermd gebied

Een nieuw landschap

Op de ontgonnen grond kwamen nieuwe boerderijen, rechte wegen en blokvormige percelen. In de Peel ontstonden zelfs nieuwe dorpen: Ysselsteyn, Venhorst en Evertsoord. Voor jonge boerengezinnen was een ontginningsboerderij een kans op een eigen bedrijf. Het werk was zwaar en de eerste jaren waren mager.

Op de armste grond kwamen bossen van grove, Oostenrijkse en Corsicaanse den, in rechte vakken. Zo'n zeventig procent van het Nederlandse bos is in de twintigste eeuw aangeplant.

Na de oorlog: de laatste heide

Na 1945 ging de ontginning door. Het land moest meer voedsel produceren. Zie Oorlog en wederopbouw. Machines namen steeds meer van het zware werk over. Rond 1900 lag er nog zo'n 650.000 hectare woeste grond, rond 1950 nog zo'n 225.000 hectare.

Tegelijk groeide het verzet. Al in 1905 hadden Jac. P. Thijsse en Eli Heimans Natuurmonumenten opgericht. De vereniging kocht het Naardermeer en vanaf 1913 ook vennen en heide bij Oisterwijk. Steeds meer mensen zagen de heide als een landschap met eigen schoonheid, en als plek om te wandelen. In de troonrede van 1961 zei de regering dat ze het omzetten van woeste grond in landbouwgrond "tot het uiterste" wilde beperken. Daarmee kwam een einde aan de grote ontginningen.

Wat overbleef

Van de heide is nu zo'n 40.000 hectare over. Die blijft alleen paars als iemand maait, plagt of schapen laat grazen. Het is halfnatuur: een landschap dat door landbouw ontstond en nu als beschermd gebied wordt beheerd. Zie Natuur is mensenwerk.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De ontginner

Voor de ontginner was woeste grond verspild land. Nederland groeide en had voedsel en werk nodig. Met kunstmest, sloten en later machines kon arm zand een akker worden. Ingenieurs van de Heidemaatschappij zagen het als vooruitgang: een rechte weg, een nieuwe boerderij, een bos waar eerst stuifzand lag.

De keuterboer

Voor een kleine boer had de ontginning twee kanten. Met de verdeling van de marke verloor hij soms de heide waar zijn schapen graasden. Maar ontgonnen grond bood ook een kans op een eigen bedrijf. De eerste jaren waren mager. Met kunstmest en advies van de landbouwleraar gaf het zand toch een oogst.

De werkloze

Voor een werkloze man uit de stad was de werkverschaffing geen vrije keuze. Wie steun wilde, moest werken. Het werk was zwaar, met schop en kruiwagen in weer en wind, soms ver van huis. Het loon lag maar iets boven de steun. Toch gaf het sommigen ook houvast en een dagritme. Wat ze groeven, sloten en bossen, ligt er vaak nog steeds.

De landschapsbeschermer

Voor landschapsbeschermers was de heide geen woeste grond, maar een landschap met eigen planten, vogels en stilte. Thijsse liet in zijn boeken zien hoe rijk dat landschap was. Ze kochten gebieden op om ze te redden, met geld van leden en gemeenten. Voor hen ging met elke ontginning iets onherstelbaars verloren. Dat ze daarmee een boerenlandschap bewaarden, besefte niet iedereen.

Trivia
Om over te praten

Wat in 1900 woeste grond heette, noemen we nu kostbaar landschap, met zeldzame planten en dieren. Wie bepaalt wat nuttig land is?

Bronnen