Landbouwcanon
Wijs een nummer aan voor uitleg.
Venster 331997Een tweede landbouwcrisis?concept

De varkenspest

Een stille ramp

In februari 1997 werd in een varkensstal in het Brabantse Venhorst klassieke varkenspest vastgesteld. Binnen een paar maanden verspreidde de ziekte zich over honderden bedrijven. Om haar te stoppen werden miljoenen varkens gedood, de meeste niet omdat ze ziek waren. De ramp liet zien hoe kwetsbaar een veehouderij is met veel dieren dicht bij elkaar.

Een ziekte in Brabant

Klassieke varkenspest is een virusziekte die alleen varkens treft. Voor mensen is ze niet gevaarlijk. Voor varkens is ze vaak dodelijk, en ze verspreidt zich snel via dieren, vrachtwagens, kleding en mest.

Toen de ziekte werd ontdekt, had ze zich al ongemerkt verspreid. In het oosten van Brabant en in delen van Limburg en Gelderland stonden de varkensbedrijven dicht op elkaar. Dat maakte het voor het virus makkelijk om van stal naar stal te gaan.

Ruimen en wachten

De overheid koos voor een harde aanpak. Besmette bedrijven werden geruimd, en vaak ook bedrijven in de buurt. Hele gebieden gingen op slot. Er gold een vervoersverbod: varkens mochten niet meer worden verplaatst, ook niet naar het slachthuis.

Daardoor ontstond een tweede probleem. Biggen werden geboren en varkens groeiden door, maar de stallen raakten vol. Om dierenleed te voorkomen werden ook daar dieren gedood. Van de miljoenen varkens die stierven, was maar een klein deel besmet.

Van alle varkens die in 1997 en 1998 werden gedood, was maar een klein deel zelf besmet.Het vervoersverbod en de volle stallen

Een land kijkt mee

Het duurde ruim een jaar voordat de epidemie voorbij was. In die tijd zagen Nederlanders op televisie vrachtwagens met dode varkens, mannen in witte pakken en boeren in tranen. Het werd een van de duurste dierziekte-uitbraken uit de Nederlandse geschiedenis, met kosten van naar schatting ruim twee miljard euro.

Inenten was volgens de Europese regels geen standaard. Ingeënte dieren waren moeilijk te onderscheiden van besmette dieren, en veel landen wilden vlees van ingeënte varkens niet kopen. Voor een exportland als Nederland woog dat zwaar.

Minder varkens

Na de ramp vond de politiek dat de varkenshouderij moest veranderen. Er waren te veel varkens op een te kleine oppervlakte, met te veel mest en een groot risico op nieuwe uitbraken. In 1998 kwam de Wet herstructurering varkenshouderij. Er kwamen varkensrechten, die werden ingekort, en regelingen om bedrijven uit te kopen.

In Brabant ontstond de regeling Ruimte voor Ruimte: wie een stal sloopte, mocht ergens anders een woning bouwen. Het aantal varkensbedrijven nam daarna sterk af, maar de bedrijven die bleven werden groter.

Wat het in gang zette

Vier perspectieven

De boer

Voor veel boeren was het ruimen van hun gezonde dieren een traumatische ervaring. Ze hadden jaren gewerkt aan hun stal en hun fokdieren. Sommigen begonnen daarna nooit meer opnieuw.

Het dier

Miljoenen varkens werden gedood, de meeste zonder ziek te zijn. Ook het vervoersverbod zorgde voor dierenleed in overvolle stallen. De ramp gaf het debat over dierenwelzijn een nieuwe impuls.

De overheid

De overheid moest de ziekte snel stoppen en tegelijk de exportmarkten openhouden. Ze koos voor ruimen in plaats van inenten. Achteraf kreeg ze kritiek, maar ook begrip, omdat er binnen de Europese regels weinig andere keus was.

De burger

Burgers zagen beelden van vrachtwagens met dode dieren op het journaal. Veel mensen werden zich daardoor pas bewust van de omvang van de veehouderij. Het vertrouwen in de sector kreeg een deuk.

Om over te praten

Veel dieren dicht bij elkaar maakt een uitbraak groter. Hoeveel dieren kan een gebied dragen, en wie beslist dat?

Bronnen